Uitvoerder van het kunsten- en cultureel-erfgoedbeleid van de Vlaamse Regering

Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017

Voornaamste wijzigingen decreet

Dit decreet werd in de periode juli 2016 - januari 2017 voorgelegd aan verschillende adviesorganen. De adviezen en de parlementaire procedure resulteerden nog in wijzigingen of amendementen op de eerste versie van de tekst.


Naar aanleiding van het advies van de SARC (PDF) werden volgende wijzigingen doorgevoerd aan het voorontwerp van decreet en bijhorende memorie van toelichting:

  • De definities van de functies en rollen in het decreet bleven grotendeels ongewijzigd (m.u.v. de functie behouden die werd vervangen door ‘behouden en borgen’), in de memorie werd bijkomende toelichting opgenomen.
  • De definities van museum, culturele archiefinstelling en erfgoedbibliotheek werden aangepast.
  • Een bijkomende overgangsbepaling werd opgenomen die het mogelijk maakt om de middelen die door provincies worden toegekend aan regionaal ingedeelde stadsarchieven te continueren via de erfgoedconvenants.
  • De voorwaarde dat academisch onderzoek niet in aanmerking komt voor projectondersteuning werd aangepast. Deze voorwaarde vervalt indien de aanvrager kan aantonen dat het onderzoek vertrekt vanuit de eigen cultureel-erfgoedwerking. 
  • Voor de beoordeling van projecten moet de administratie zich verplicht laten bijstaan door meerdere externe experten.
  • Een bijkomend subsidiecriterium werd toegevoegd bij de dienstverlenende rollen (landelijk en regionaal). Dit criterium laat toe om de wijze te beoordelen waarop de erfgoedgemeenschappen waarvoor een dienstverlening wordt aangeboden betrokken worden in de dienstverlenende organisatie.

Diverse andere opmerkingen van de SARC zullen worden meegenomen bij de uitwerking van het uitvoeringsbesluit: concrete afspraken in het kader van het complementair beleid, heldere procedure voor de aanduiding van erfgoedinstellingen, de nadere bepaling van de criteria gekoppeld aan de functies, adviezen n.a.v. advisering, planlastvermindering, …

Een meer omstandige reactie op het advies van de SARC is terug te vinden in hoofdstuk 5.1 in de Memorie van Toelichting.


De Raad van State formuleerde een advies (PDF) en gaat daarin na of het voorontwerp van decreet voldoet aan de geldende vormvereisten, de geldende wettelijke bepalingen (Europese regels rond staatssteun, Cultuurpactwetgeving, principes van goed bestuur…) en of de argumentatie hiervoor in de memorie van toelichting voldoende duidelijk is.

Naar aanleiding van dit advies werden nog diverse technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst. Op verschillende plaatsen werd de memorie van toelichting ook aangevuld met bijkomende argumentatie die verduidelijkt op welke wijze het ontwerp van decreet voldoet aan de geldende wettelijke bepalingen. Zo bevat de memorie van toelichting nu een extra hoofdstuk (hoofdstuk 5) over hoe het decreet zich verhoudt tot de Europese regels rond staatsteun.

Een volledig overzicht van de wijze waarop gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State en de wijzigingen als gevolg hiervan zijn te vinden in hoofdstuk 6.2 van de memorie van toelichting.

Bij de definitieve goedkeuring besliste de Vlaamse Regering daarnaast om een aantal inhoudelijk bijsturingen door te voeren in het ontwerp van decreet. De voornaamste bijsturingen zijn:

  • voor de aanduiding als cultureel-erfgoedinstelling is niet meer vereist dat er een dienstverlenende rol op landelijk niveau wordt opgenomen. Dit wordt wel nog meegenomen als een positief element in de advisering en beslissing indien de voorgestelde rol vertrekt vanuit de bestaande expertise van de collectiebeherende organisatie
  • bij de dienstverlenende rollen op regionaal niveau werd de mogelijkheid voorzien om, naast een dienstverlening te voorzien dit zich richt op het eigen grondgebied, ook dienstverlening aan te bieden die zich richt op een bredere regio
  • de beleidsperiode voor de dienstverlenende rollen op regionaal niveau werd aangepast zodat deze overeenstemt met de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden van Onroerend Erfgoed. 

Een gedetailleerd overzicht van de inhoudelijke bijsturingen is ook te vinden in hoofdstuk 6.2 van de memorie van toelichting.


Na definitieve goedkeuring door de Vlaamse Regering, wordt het ontwerp van decreet overgemaakt aan het Vlaams Parlement.

De voorzitter van het Vlaams Parlement wijst het ontwerpdecreet dan toe aan een commissie, waar het dossier besproken wordt. Zowel de Vlaamse Regering als de leden van het Vlaams Parlement kunnen nog amendementen indienen.

Op 17 januari 2017 vond een hoorzitting over het nieuwe Cultureelerfgoeddecreet plaats in de Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement. Verschillende actoren uit de sector (SARC, OCE en VVSG) werden daarbij gehoord.

Op 26 januari was er een debat in de Commissie Cultuur en antwoordde minister Gatz op vragen van de parlementsleden.

Na de bespreking in de commissie, werd het dossier op 15 februari en nogmaals besproken en gestemd in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.

Naast een aantal technische amendementen, werden volgende inhoudelijke wijzigingen aangenomen:

  • in de procedure voor werkingssubsidies zal er een mogelijkheid tot repliek voorzien worden (art. 41);
  • de stadsarchieven in centrumsteden worden vrijgesteld van de subsidiëringsvoorwaarde dat er een afzonderlijke cultureel-erfgoedwerking moet zijn (art. 48);
  • voor de regionale dienstverlenende rollen (cultureel-erfgoedconvenants) werd een verduidelijking toegevoegd dat cultureel-erfgoedcellen aan publiekswerking kunnen doen (art. 57);
  • de resterende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de cultureel-erfgoedsector worden geïntegreerd in het decreet (art. 97):
    • voor regionaal ingedeelde organisaties wordt de tewerkstellingssubsidie toegevoegd aan de werkingssubsidie vanaf 2019. De eerste beleidsperiode wordt het maximaal bedrag voor de regionaal ingedeelde organisaties (vermeld in art. 50) hiervoor verhoogd met 50%;
    • voor erkende organisaties die niet regionaal zijn ingedeeld wordt de tewerkstellingssubsidie vanaf 2021 toegevoegd aan de werkingssubsidie van een regionale dienstverlenende rol, indien de erkende organisatie deel uitmaakt van een goedgekeurde aanvraag voor een dergelijke rol;
    • voor niet-erkende organisaties stopt de tewerkstellingssubsidie vanaf 2019.

Voornaamste wijzigingen uitvoeringsbesluit

Op 31 maart 2017 kreeg het Uitvoeringsbesluit een eerste principiële goedkeuring van de Vlaamse Regering. Een tweede principiële goedkeuring van het volgde op 5 mei 2017 na advies van Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State op 14 juni 2017 werden nog een aantal technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst.